Bluegrass is akoestische gitaar met een plectrum, snel, hard aangeslagen en zonder versterking. De Martin dreadnought hierboven is er precies voor gebouwd: een grote klankkast die zich staande houdt naast een banjo, een mandoline en een fiddle die alle drie harder zijn dan jij.

Wat je leert

Flatpicking. De melodie spelen met een plectrum, op tempo en met een aanslag die draagt. Het is de kern van de stijl en tegelijk het lastigste: rechterhand en linkerhand moeten tot op de honderdste seconde samenvallen, anders klinkt het slordig in plaats van snel.

Boom-chuck. De begeleiding: basnoot op de tel, akkoord op de tussentel. Klinkt simpel, is het niet. Hier zit het verschil tussen een band die stuwt en een band die sleept.

G-runs en crosspicking. De typische loopjes waarmee je een frase afsluit en een medespeler binnenhaalt, en de gebroken-akkoordtechniek van Clarence White en George Shuffler.

Het repertoire. Fiddle tunes zoals Blackberry Blossom, Salt Creek, Whiskey Before Breakfast en Red Haired Boy, en de standards die op elke jam voorbijkomen.

Welke gitaar

Een dreadnought met een massieve sparren bovenblad geeft het volume en de bas die deze muziek vraagt. Verder: medium snaren en een stevig plectrum, want je speelt hier met kracht. Beginnen kan op de staalsnarige gitaar die je al hebt.

Om naar te luisteren

Bluegrass en country lopen in elkaar over; wil je meer die kant op, kijk dan ook bij country.